Een van de mooiste liedjes die hij kent. Maar los daarvan…terwijl hij vanmiddag zijn dochters op de fiets hijst ziet hij een vrouw voorbij fietsen en pas als hij wegfietst beseft hij dat zij weet dat hij weet dat ze elkaar kennen. Het laat hem daarna niet meer los omdat hij geen idee heeft wie ze is. Hij weet dat ze vroeger geen gitzwart haar had, hij weet dat ze hem op een of andere manier perfect begreep, dat hij zich bij haar op zijn gemak voelde, zonder lust, een in en in goed mens. Dat weet hij. En toch is de rest een blinde vlek, de context is verdwenen. Wat, als hij haar zo terughaalt in zijn gedachten, vreemd is. Zou zij immers niet een onvergetelijke persoon moeten zijn? Het is van een andere orde dat een vergeten titel, melodie of naam.
En dat vreet aan hem. Want wat zijn de opties? Waanzin. Zijn leven is een illusie en zij breekt er als uit een alternatieve realiteit, een parallel leven, doorheen. Een fijn gegeven voor in zijn favoriete sciencefiction verhalen (zie Philip K. Dicks beruchte visioenen voorafgaand aan Valis die veroorzaakt worden door het bezoek van een onbekend zwartharig meisje) maar hij weet dat zijn gedachten ordelijk en overzichtelijk zijn, ten minste tot een bepaalde horizon…en als het daarachter niet klopt dan maakt het toch allemaal niet uit.
Ouderdom. Zijn geheugen, voorheen betrouwbaar, begint hem in de steek te laten. Als laatste: verdringing. Dan nog blijft de vraag over: waarom verdringing? Het lijkt de sleutelvraag die hem in ieder geval een zekere plaatsing schenkt. Hij moet haar kortstondig hebben gekend in een hectische periode waar hij in zijn algemeenheid niet graag meer aan terugdenkt. En toch blijft het een hypothese, brengt het haar niet scherper in beeld. De alternatieve hypothese plaatst haar veel verder terug in de tijd, maar dat is pure speculatie. Hoogste tijd om het droomwerk in te zetten, want een even vreemde gewaarwording is dat hij al peinzende duidelijk de behoefte voelt om dit probleem, haar gezicht (dat nu alweer vervaagt), zijn geschiedenis: te googlen.
miércoles, abril 25, 2007
lunes, abril 09, 2007
52. Against The Day
Against The Day is uit. 1085 fenomenale pagina’s die hij zo weer zou willen lezen. Met gemak het beste boek dat hij heeft gelezen sinds Underworld, een magistraal boek-als-caleidoscoop dat krioelt met ideeën, grappen, verrassingen en wonderlijke zinnen. Maar, en dat is een altijd onderschatte kwaliteit van Pynchon-de-geniale-taalgoochelaar geweest, het is ook een uitermate ontroerend boek. Na een paar pagina’s is al duidelijk dat Against The Day een melancholische ervaring zal worden, dat de vrolijke explosie van vertrouwen die de Wereldtentoonstelling van Chicago genereert niet eeuwig zal duren. Twee soorten melancholie: een inhoudelijke, de situering in een fin de siècle/pre-WOI wereld vol mogelijkheden, alternatieven en mysterieën. Een meer structurele, de leeservaring van “de pil” die je eigenlijk niet wil uitlezen/altijd door wil laten gaan omdat je in die wereld bent gaan ademen, gehecht bent geraakt aan personages.

Er doen al veel interpretaties van de titel de ronde, die op allerlei manieren door Pynchon in de tekst worden uitgebuit maar het is ook als boek zelf against the day, als “tegen de tijdsgeest in”. Het voelt bijna als een artefact uit een voorbije tijd en tegelijkertijd het enige boek dat er toe doet, dat hem nog harder doet hoofdschudden als hij in kranten de hopeloze “concurrentie” bekijkt. Bovendien is het een directe toevoeging aan het sciencefictioncanon, al zal daar binnen het wereldje zelf ongetwijfeld anders over worden nagedacht (zelfs bij New Worlds waarin Pynchon in de jaren zestig het korte verhaal 'Entropy' publiceerde werd hij vol afgunst bekeken. En hoe verrassend dan om die altijd onvoorspelbare Michael Moorcock een juichende recensie te zien schrijven: "...and you wonder if you aren't reading the smartest stoner in the universe." Ha!)

Ondanks bovenstaande woorden, of de subtiliteit waarmee Pynchon bijvoorbeeld in een korte alinea het opkomende Italiaanse fascisme indirect en poëtisch en vanuit een individuele obsessie weet te omschrijven, is het niet eens een boek dat hij iedereen zal aanraden. De Pynchonistas, de stoners, de anarchisten, de bewoners van de Dagdroom Natie. Ja, die zijn ongetwijfeld al bezig. Against The Day is geen verplichting (altijd uitkijken wanneer je dat gevoel krijgt opgedrongen)…het moet jou uitzoeken. En dan dien je het met zoiets als een schoon hart, een blik zonder angst, te benaderen. Een langzame omhelzing van tekst zal je prijs zijn.

Er doen al veel interpretaties van de titel de ronde, die op allerlei manieren door Pynchon in de tekst worden uitgebuit maar het is ook als boek zelf against the day, als “tegen de tijdsgeest in”. Het voelt bijna als een artefact uit een voorbije tijd en tegelijkertijd het enige boek dat er toe doet, dat hem nog harder doet hoofdschudden als hij in kranten de hopeloze “concurrentie” bekijkt. Bovendien is het een directe toevoeging aan het sciencefictioncanon, al zal daar binnen het wereldje zelf ongetwijfeld anders over worden nagedacht (zelfs bij New Worlds waarin Pynchon in de jaren zestig het korte verhaal 'Entropy' publiceerde werd hij vol afgunst bekeken. En hoe verrassend dan om die altijd onvoorspelbare Michael Moorcock een juichende recensie te zien schrijven: "...and you wonder if you aren't reading the smartest stoner in the universe." Ha!)

Ondanks bovenstaande woorden, of de subtiliteit waarmee Pynchon bijvoorbeeld in een korte alinea het opkomende Italiaanse fascisme indirect en poëtisch en vanuit een individuele obsessie weet te omschrijven, is het niet eens een boek dat hij iedereen zal aanraden. De Pynchonistas, de stoners, de anarchisten, de bewoners van de Dagdroom Natie. Ja, die zijn ongetwijfeld al bezig. Against The Day is geen verplichting (altijd uitkijken wanneer je dat gevoel krijgt opgedrongen)…het moet jou uitzoeken. En dan dien je het met zoiets als een schoon hart, een blik zonder angst, te benaderen. Een langzame omhelzing van tekst zal je prijs zijn.
Etiquetas:
Against the Day,
boek,
literatuur,
Pynchon
martes, abril 03, 2007
51. Schrijven is vet cool

Had wat hem betreft de titel mogen zijn van de interviewbundel Conversations With Don DeLillo (University Press of Mississippi.) Met name zijn eerste interview met een speciaal naar Griekenland afgereisde Tom LeClair uit 1982 (toen DeLillo al zes boeken had geschreven) zal hij menigmaal herlezen, gebruiken als een soort influistering van moed mocht hij de weg kwijt raken. Alles wat je nodig hebt als schrijver is er in terug te vinden. Meer is niet nodig, ketent je, vervreemd je.
“I think after a while a writer can begin to know himself through his language. He sees someone or something reflected back at him from these constructions. Over the years it’s possible for a writer to shape himself as a human being through the language he uses. I think written language, fiction, goes that deep.”
“Wittgenstein is the language of outer space, a very precise race of people.”
Een mooie uit een later interview:
“But when I think of my work out in the world, written and published, I like to imagine it’s being read by some stranger somewhere who doesn’t have anyone around him to talk to about books and writing—maybe a would-be writer, maybe a little lonely, who depends on a certain kind of writing to make him feel more comfortable in the world.”
En heel veel heel precieze observaties over zijn boeken waardoor hij zin krijgt om ze allemaal met hernieuwde blik te herlezen. In 1988 over Libra:
“It seems to me, finally, that what this book is about is history and dreams. Dreams meaning all those forces in our lives that are outside history.”
Etiquetas:
citaten,
DeLillo,
interviews,
literatuur,
schrijven
domingo, marzo 18, 2007
50. Einde/Begin Cyclus
domingo, marzo 11, 2007
49. Barça – Real

De wedstrijd in Nou Camp is nooit prettig en toch gaat hij er als gehypnotiseerd meestal naar toe. Een soort masochistisch ritueel. Gisteren dus niet, omdat Real Madrid zijn eeuwige rivaal onder controle heeft, en toch op het laatst weer wel, omdat in de laatste minuut een zekere overwinning uit handen wordt gegeven. Maar voetbal is niet eens het plezier van gisteren (sowieso is voetbal plezierloos aan het worden), het plezier is van taal. Want er is geen betere voetbal ervaring dan die van het live verslag op de Spaanse radio. Hier geen gortdroge en valse hang naar objectiviteit zoals geperfectioneerd in Nederland (sinds de dood van Theo Koomen) met de commentator als eenling die namen opdreunt. Nee, hier een kakofonie van stemmen. Minsten vijf sprekers. Een evenement met als achtergrond de wedstrijd. Langlopende discussies worden opgepikt, sigaretten hoorbaar opgestoken, reclame voor whiskey bijna naadloos door het narratief geweven, spelers in lange tirades afgekraakt totdat er opgewonden “Ojo! Ojo!” wordt geroepen omdat er gevaar dreigt. Dan wordt minutenlang het spel genegeerd voor nieuwe discussies. En er is humor, sarcastische afrekeningen, juichende terechtwijzingen, wanneer iemand teveel onzin praat mag hij zelfs afgefloten worden (en ja, daar is een speciale jingle voor.) Dit alles in een zwaar klimaat van ironie omdat het seizoen van Real Madrid een catastrofe is. Een gezellige chaos die zoiets als de Spaanse psyche karakteriseert (hij heeft totaal niets tegen Catalanen maar ze hebben in ieder geval wat betreft voetbal geen enkele humor, worden gedreven door een verbittering en zelfhaat die alleen maar erger worden gemaakt door de steken van typisch Madrileense ironie.)
Etiquetas:
radio,
Real Madrid,
Spanje,
taal,
voetbal
miércoles, marzo 07, 2007
48. Ook de coole denker sterft uiteindelijk
Raoul Vaneigem ongetwijfeld goedkeurend geciteerd In L’échange symbolique et la mort (1976):
“We sterven niet omdat we moeten, we sterven omdat het een gewoonte is, waaraan op een gegeven moment, niet al te lang geleden, onze gedachten zijn gebonden.”

Toch wel verrassend dat ook Baudrillard dood kon (al is het gezien zijn leeftijd, 77, en sigarettenconsumptie niet heel opzienbarend.) Hij had iets eeuwig jongs maar dat is hoe de jeugdigheid, de cool, van iemands gedachten je blijkbaar voor de gek kan houden. Nu zijn ze allemaal verdwenen, de laatste Vader/Titaan/68er…en ergens voelt het misschien als een opluchting, “eindelijk zijn wij aan de beurt, kunnen wij ongestoord denken.” Maar het was wel een hippe vader en hij zal toch zijn onverschillige brutaliteit missen. Eigenlijk ook een van de weinige sociologen (zie in mindere mate Bauman, Maffesoli) waar hij compleet voor kon gaan, die hij als zoiets als een autoriteit wilde erkennen. En wat een vrolijke sociologie was het ondanks zijn pessimisme…een sociologie van de lange autorit, aan afstandelijke blik, eenzaamheid, sciencefiction, verwondering over vrouwen, Amerika, media en dood. Crash dus.
“We sterven niet omdat we moeten, we sterven omdat het een gewoonte is, waaraan op een gegeven moment, niet al te lang geleden, onze gedachten zijn gebonden.”

Toch wel verrassend dat ook Baudrillard dood kon (al is het gezien zijn leeftijd, 77, en sigarettenconsumptie niet heel opzienbarend.) Hij had iets eeuwig jongs maar dat is hoe de jeugdigheid, de cool, van iemands gedachten je blijkbaar voor de gek kan houden. Nu zijn ze allemaal verdwenen, de laatste Vader/Titaan/68er…en ergens voelt het misschien als een opluchting, “eindelijk zijn wij aan de beurt, kunnen wij ongestoord denken.” Maar het was wel een hippe vader en hij zal toch zijn onverschillige brutaliteit missen. Eigenlijk ook een van de weinige sociologen (zie in mindere mate Bauman, Maffesoli) waar hij compleet voor kon gaan, die hij als zoiets als een autoriteit wilde erkennen. En wat een vrolijke sociologie was het ondanks zijn pessimisme…een sociologie van de lange autorit, aan afstandelijke blik, eenzaamheid, sciencefiction, verwondering over vrouwen, Amerika, media en dood. Crash dus.
martes, marzo 06, 2007
47. Amsterdam
Middagje Stedelijk. Interessante tentoonstelling Mapping The City met veel mooie filmbeelden (de jonge Willem de Ridder en Wim T. Schippers op een charmante dérive toer) en foto’s. De meest indrukwekkende, onvermijdelijk haast, de kleurenfoto’s van Ed van der Elsken van een zomer in Amsterdam ergens begin jaren zeventig. Zijn ‘Een liefdesgeschiedenis in Saint Germain des Prés’ die permanent in het Stedelijk hangt heeft hem nooit veel gedaan (al was het omdat de romantische mythe/”het echte leven” van Parijs hem koud laat.) Maar deze foto’s…fascineren. Omdat ze echt zijn, in de zin dat hij die kleuren herkent, de kleuren van een verdwenen realiteit. En omdat het een vrolijke chaos vormt van normale mensen in de stad die echter stuk voor stuk iets excentrieks bezitten, geen groot gebaren maar kleine dingen…een fietsconstructie, het natuurlijk gespierde lichaam van een shirtloze baardmans, de zorgloze afwezigheid van de bh, kortom de hele mythe van de jaren zeventig mythe ontmaskert als waarheid, compleet door het alledaagse doorvlochten. Wat hem doet afvragen: waar zijn al die mensen nu? Waar is die energie? Het optimisme? Hoe kijken ze terug op die tijd? En wat is er eigenlijk veranderd? Technologie in al zijn facetten, zeker. Maar de foto’s vangen ook een laatste moment, voor de eerste heroïne golf, het onbegrip van de Bijlmer, de Nieuwmarkt rellen, de haast systematisch verpaupering en daaropvolgende tegenaanval die onvermijdelijk leiden tot “1980”. Vreemd hoe in zijn herinneringen het Amsterdam van de begin jaren zeventig altijd zonnig is, dat van de periode 1976-1980 doorlopend grijs en regenachtig.
Etiquetas:
Amsterdam,
fotografie,
herinneringen,
museum
Suscribirse a:
Entradas (Atom)








