De foto op de voorkant van het Zaterdags Bijvoegsel van het NRC Handelsblad (dood kind…twee jaar? drie jaar oud?…naast uitgebrande auto in Libanon) snijdt door alles heen, richting een besef van kosmisch nihilisme dat hij afstandelijk theoretisch al kende maar nu in al zijn gruwelijkheid ziet: het heeft allemaal geen zin. De naam satanisch niet waard (Lucifer, de imaginaire zondebok voor ons eigen falen, heeft nog stijl en een gevoel van moraal.) Wat door zijn hoofd blijft spoken: “wie dit goedpraat, of het nu uit geopolitieke, zionistische, decadent-onverschillige of militair-technische overtuiging is, is heel eenvoudig een fascist.” Geen discussie nodig.
(na het zien van de foto is hij in een slechte bui maar hij kan en wil het niet uitleggen, dat is immers je naasten infecteren met hetzelfde besef. Dus dan maar schrijven. De blog als digitaal equivalent van het Griekse gebruik (een van Won Kar-Wai's favoriete motieven) om een gat in een boom te maken of kuil te graven aan de oever van een rivier en daar vervolgens je geheim in te fluisteren, waarna het gat wordt afgesloten. Een kleine bevrijding. Alleen wat maakt het de lezer? Een nieuwe boom of riviergeest? Of iets tussen tekst en het digitale in? Het zou ergens aansluiting moeten vinden met een van Ian Penmans recentelijke mijmeringen: "Haunting" as unprocessed information, an excess or - what's the phrase? - overload.)
sábado, julio 22, 2006
lunes, julio 10, 2006
24. Boodschap aan toekomstig zelf over het WK2006
Aantekeningen voor de toekomst, zodat niet in een nostalgische bui dit WK wordt opgehemeld. Want het was een matig WK, iets beter dan 2002 maar met teveel slechte arbiters, saai voetbal, een dramatisch gebrek aan goede aanvallers en de vloek van het 4-5-1 systeem.
1. Oranje. Er werd van hem enigszins schertsend verwacht dat hij een essay zou schrijven over Oranje-onder-Balkenende, totdat JP bij de eerste de beste rustdag van het WK de lol van die analyse wegnam. Het wordt bijna te makkelijk. Je kan het zo invullen Oranje als metafoor voor het huidige Nederland: waar werken zonder reflexie het hoogste goed is geworden, waar we “wel normaal met elkaar moeten omgaan”, waar gezocht wordt naar geforceerd en achterhaalde ideeën van gemeenschap, waar saaiheid en degelijkheid een rustgevend gevoel geven, waar op creativiteit wordt neergekeken, waar agressie uit het niets verschijnt, het ontbreken van leiderschap een gevoel van richtingloosheid geeft en waar multiculturalisme wordt genegeerd. Waarom denk je dat ze in zo’n lelijke simulatie van een jaren vijftig shirt speelden? Kortom Nederland heeft een nieuwe jaren zestig/zeventig nodig, al was het maar op voetbalgebied. En hoe zoet is het dan om Frankrijk al multiculturele entiteit, waar niet om wordt gekeken naar een tot de islam bekeerde Ribery (stel je even het gezeik voor als Van Persie hetzelfde zou doen), zichzelf het toernooi in te zien vechten.
2. Spanje. Interessant dat K-punk het continu falen van Engeland analyseert als een soort verslaving aan verlies, want Spanje lijdt hier aan, in een misschien iets edelere, variant. Spanje speelde waarschijnlijk het mooiste en meest aanvallende voetbal van het toernooi en gaat dus weer eens aan schoonheid ten onder. Een pijnlijke observatie aan het begin van de tweede helft van de wedstrijd tegen Frankrijk: een angst sluipt het collectief in en die angst is een angst om te winnen. En toch, de as Casillas – Ramos – Fabregas – Torres kan alleen nog maar groeien en zeker drie toernooien mee. Alleen, wie verhaalt ze de mogelijkheid van een kampioenschap?
3. Brazilië. Je speelt in Nietzsche’s geboorteland. Iemand was ze vergeten te vertellen dat op dit continent God ze niet kan helpen. En de lange arm van de arbiter reikt gelukkig ook niet tot in het oneindige. Zelden moet er zo’n onsympathieke verzameling overhypte voetballers bij elkaar zijn gebracht. Voor Brazilië zijn is iets voor kinderen…en de makkelijkste meelopers die geloven in een mythologisch Brazilië. Een Brazilië waarvan het voetbal een levensfilosofie van onbezorgd genot spiegelt. Maar achter de façade van zondeloze seks, dans, zon en…uhm…modernistische architectuur leeft een wegrottende wereld van AIDS, corruptie en ultrageweld. En dat symboliseert dit Braziliaanse elftal veel beter. Bovendien teren ze al jaren op de schoonheid van het elftal van 1982, sinds het debacle van het WK 1990 spelen de kanaries so-Duitser-dan-Duits.
4. Argentinië – Mexico 2-1. Samen met de halve finale Italië – Duitsland de enige legendarische wedstrijd van het toernooi. Een moordend tempo, twee gelijkwaardige teams met liefde voor de bal, hard maar niet gemeen. Helaas voor Mexico zijn ze voorbestemd om in een zelfde tragische cyclus als Spanje te leven.
5. Riquelme. Fascinerende voetballer. In het bezit van een haast virale traagheid, wanneer hij de bal krijgt vertraagt de realiteit. Naast een prachtige traptechniek in het bezit van een trieste blik, een existentiële laag die maar weinig voetballers nog hebben. Maar het was vorig jaar tijdens de Confederations Cup al duidelijk dat Argentinië niet met Riquelme kampioen zou worden. Alles moet via hem gaan en het vermoeden rijst dat het spel hem eigenlijk niet zoveel interesseert, Riquelme’s relatie tot de bal is een soort bewegende spiegel of vriend en wat heeft winnen, verliezen in zo’n relatie te zoeken? Iedereen zag dat Pekerman in de wedstrijd tegen Duitsland cruciale blunders maakte met de wissels maar wat duidelijk werd is dat toen Riquelme niet meer in het veld stond en niet was vervangen door die andere spelverdeler Aimar, er teveel waterdragers in het veld stonden. Mascherano, Rodriguez en Gonzalez zijn aardige maar saaie voetballers, een door en door conservatieve structuur werd zichtbaar. Argentinië speelde opeens zonder hersens.
6. Pirlo. Pirlo is een ouderwetse Voetballer in de Van Hanegem “snelheid bestaat niet” zin. Kalm, de bal op prachtige wijze meteen onder controle, in het bezit van een heerlijke draaibeweging en pass. Hij heeft iets van een stoner, altijd rustig, verzonken in een eigen denkwereld en met cool lang haar. De halve finale tegen Duitsland was een meesterwerk van intelligent voetbal. Net dat sprankje hoop dat de pessimist nodig heeft.
7. De goal van Grosso. Wat is een favoriet doelpunt? Een mooie knal van afstand, een aanval over veel schijven? Of maakt het moment van scoren ook uit? Als totaalervaring is de 1-0 van Italië in de halve finale zijn favoriete doelpunt van het toernooi. Ja, het zoeken en het passje van Pirlo zijn geniaal, het in een keer met doorzwaaiend been aan de bal een krul geven om de keeper heen net zo, maar het gaat natuurlijk ook om het moment, het scoren van een prachtig doelpunt in de laatste minuut van een verlenging in de halve finale van het WK. Nog mooier wordt het door het juichen van Grosso, een verwijzing naar Tardelli aangevuld met een jongensachtige lach. Essentieel detail. Voor de complete ervaring is het Italiaanse commentaar nodig, dat nog mooier wordt na de 2-0, in wat in Italië inmiddels een legendarisch televisiemoment in wording is: Fabio Caressa en Beppe Bergomi die elkaar geëmotioneerd toeschreeuwen “Si va a Berlino! Andiamo a Berlino, Beppe!!!”
8. Zidane. Keizerlijk. In het totale bewustzijn dat het er niet meer toe doet kon hij eindelijk weer lekker voetballen. Net zo fascinerend als alle aannames, draaibewegingen, passjes waren de beelden van Zidane na een gewonnen wedstrijd, waar hij opeens leek te groeien, een voetbal Boeddha die zichzelf heeft geleegd en dan even…die lachende knipoog.
[schreef hij voor de finale]
Voetbal kent geen gerechtigheid, dat moet hij keer op keer ervaren en weer vergeten, anders is er niets aan. De finale werd door Zidane getransformeerd van een intrigerende, enigszins saaie, wedstrijd in iets uit De Gebroeders Karamazov, Underworld. Zoveel sporen. Napoleons terugkeer en definitieve verbanning (de kleedkamer als Elba, of beter Sint Helena.) Zidane was duidelijk de man van de wedstrijd nadat Frankrijk in de tweede helft de wedstrijd naar zich toe trok, bijna de winnende goal inkopt nadat hij eerst op sublieme wijze de 1-0 van de stip had gescoord. En dan wanneer je het niet meer verwacht wordt hij getroffen op zijn achillespees, niet de fysieke natuurlijk maar de mentale, de held gebeten door de grootste slang in voetbal. Want net als Achilles wordt Zidane achtervolgd door een vurig en onvoorspelbaar temperament. Het resulteert in een bizarre, bewuste zelfdestructie. Onvergetelijk omdat het pijn doet, omdat er een prachtig scenario klaar lag. De “wat als?” vragen steken meteen de kop op (al was het ook ergens een logische uitkomst van een reeks, langzaam, een voor een, vielen de Franse leiders –Viera, Henry- uit.)
Moralisten kunnen natuurlijk weer niet verder kijken dan “een laatste daad die alles tenietdoet”, beseffen niet de kracht, de wond van de tragedie…dit is Zidane, grootste voetballer sinds Platini, brenger van schoonheid. Hem is alles vergeven.
(vijf minuten na publicatie het nieuws dat Zidane tot speler van het toernooi is uitgeroepen. Dan toch een opgelucht gevoel dat er genoeg mensen zijn die in voetbal schoonheid boven moraal verkiezen.)
1. Oranje. Er werd van hem enigszins schertsend verwacht dat hij een essay zou schrijven over Oranje-onder-Balkenende, totdat JP bij de eerste de beste rustdag van het WK de lol van die analyse wegnam. Het wordt bijna te makkelijk. Je kan het zo invullen Oranje als metafoor voor het huidige Nederland: waar werken zonder reflexie het hoogste goed is geworden, waar we “wel normaal met elkaar moeten omgaan”, waar gezocht wordt naar geforceerd en achterhaalde ideeën van gemeenschap, waar saaiheid en degelijkheid een rustgevend gevoel geven, waar op creativiteit wordt neergekeken, waar agressie uit het niets verschijnt, het ontbreken van leiderschap een gevoel van richtingloosheid geeft en waar multiculturalisme wordt genegeerd. Waarom denk je dat ze in zo’n lelijke simulatie van een jaren vijftig shirt speelden? Kortom Nederland heeft een nieuwe jaren zestig/zeventig nodig, al was het maar op voetbalgebied. En hoe zoet is het dan om Frankrijk al multiculturele entiteit, waar niet om wordt gekeken naar een tot de islam bekeerde Ribery (stel je even het gezeik voor als Van Persie hetzelfde zou doen), zichzelf het toernooi in te zien vechten.
2. Spanje. Interessant dat K-punk het continu falen van Engeland analyseert als een soort verslaving aan verlies, want Spanje lijdt hier aan, in een misschien iets edelere, variant. Spanje speelde waarschijnlijk het mooiste en meest aanvallende voetbal van het toernooi en gaat dus weer eens aan schoonheid ten onder. Een pijnlijke observatie aan het begin van de tweede helft van de wedstrijd tegen Frankrijk: een angst sluipt het collectief in en die angst is een angst om te winnen. En toch, de as Casillas – Ramos – Fabregas – Torres kan alleen nog maar groeien en zeker drie toernooien mee. Alleen, wie verhaalt ze de mogelijkheid van een kampioenschap?
3. Brazilië. Je speelt in Nietzsche’s geboorteland. Iemand was ze vergeten te vertellen dat op dit continent God ze niet kan helpen. En de lange arm van de arbiter reikt gelukkig ook niet tot in het oneindige. Zelden moet er zo’n onsympathieke verzameling overhypte voetballers bij elkaar zijn gebracht. Voor Brazilië zijn is iets voor kinderen…en de makkelijkste meelopers die geloven in een mythologisch Brazilië. Een Brazilië waarvan het voetbal een levensfilosofie van onbezorgd genot spiegelt. Maar achter de façade van zondeloze seks, dans, zon en…uhm…modernistische architectuur leeft een wegrottende wereld van AIDS, corruptie en ultrageweld. En dat symboliseert dit Braziliaanse elftal veel beter. Bovendien teren ze al jaren op de schoonheid van het elftal van 1982, sinds het debacle van het WK 1990 spelen de kanaries so-Duitser-dan-Duits.
4. Argentinië – Mexico 2-1. Samen met de halve finale Italië – Duitsland de enige legendarische wedstrijd van het toernooi. Een moordend tempo, twee gelijkwaardige teams met liefde voor de bal, hard maar niet gemeen. Helaas voor Mexico zijn ze voorbestemd om in een zelfde tragische cyclus als Spanje te leven.
5. Riquelme. Fascinerende voetballer. In het bezit van een haast virale traagheid, wanneer hij de bal krijgt vertraagt de realiteit. Naast een prachtige traptechniek in het bezit van een trieste blik, een existentiële laag die maar weinig voetballers nog hebben. Maar het was vorig jaar tijdens de Confederations Cup al duidelijk dat Argentinië niet met Riquelme kampioen zou worden. Alles moet via hem gaan en het vermoeden rijst dat het spel hem eigenlijk niet zoveel interesseert, Riquelme’s relatie tot de bal is een soort bewegende spiegel of vriend en wat heeft winnen, verliezen in zo’n relatie te zoeken? Iedereen zag dat Pekerman in de wedstrijd tegen Duitsland cruciale blunders maakte met de wissels maar wat duidelijk werd is dat toen Riquelme niet meer in het veld stond en niet was vervangen door die andere spelverdeler Aimar, er teveel waterdragers in het veld stonden. Mascherano, Rodriguez en Gonzalez zijn aardige maar saaie voetballers, een door en door conservatieve structuur werd zichtbaar. Argentinië speelde opeens zonder hersens.
6. Pirlo. Pirlo is een ouderwetse Voetballer in de Van Hanegem “snelheid bestaat niet” zin. Kalm, de bal op prachtige wijze meteen onder controle, in het bezit van een heerlijke draaibeweging en pass. Hij heeft iets van een stoner, altijd rustig, verzonken in een eigen denkwereld en met cool lang haar. De halve finale tegen Duitsland was een meesterwerk van intelligent voetbal. Net dat sprankje hoop dat de pessimist nodig heeft.
7. De goal van Grosso. Wat is een favoriet doelpunt? Een mooie knal van afstand, een aanval over veel schijven? Of maakt het moment van scoren ook uit? Als totaalervaring is de 1-0 van Italië in de halve finale zijn favoriete doelpunt van het toernooi. Ja, het zoeken en het passje van Pirlo zijn geniaal, het in een keer met doorzwaaiend been aan de bal een krul geven om de keeper heen net zo, maar het gaat natuurlijk ook om het moment, het scoren van een prachtig doelpunt in de laatste minuut van een verlenging in de halve finale van het WK. Nog mooier wordt het door het juichen van Grosso, een verwijzing naar Tardelli aangevuld met een jongensachtige lach. Essentieel detail. Voor de complete ervaring is het Italiaanse commentaar nodig, dat nog mooier wordt na de 2-0, in wat in Italië inmiddels een legendarisch televisiemoment in wording is: Fabio Caressa en Beppe Bergomi die elkaar geëmotioneerd toeschreeuwen “Si va a Berlino! Andiamo a Berlino, Beppe!!!”
8. Zidane. Keizerlijk. In het totale bewustzijn dat het er niet meer toe doet kon hij eindelijk weer lekker voetballen. Net zo fascinerend als alle aannames, draaibewegingen, passjes waren de beelden van Zidane na een gewonnen wedstrijd, waar hij opeens leek te groeien, een voetbal Boeddha die zichzelf heeft geleegd en dan even…die lachende knipoog.
[schreef hij voor de finale]
Voetbal kent geen gerechtigheid, dat moet hij keer op keer ervaren en weer vergeten, anders is er niets aan. De finale werd door Zidane getransformeerd van een intrigerende, enigszins saaie, wedstrijd in iets uit De Gebroeders Karamazov, Underworld. Zoveel sporen. Napoleons terugkeer en definitieve verbanning (de kleedkamer als Elba, of beter Sint Helena.) Zidane was duidelijk de man van de wedstrijd nadat Frankrijk in de tweede helft de wedstrijd naar zich toe trok, bijna de winnende goal inkopt nadat hij eerst op sublieme wijze de 1-0 van de stip had gescoord. En dan wanneer je het niet meer verwacht wordt hij getroffen op zijn achillespees, niet de fysieke natuurlijk maar de mentale, de held gebeten door de grootste slang in voetbal. Want net als Achilles wordt Zidane achtervolgd door een vurig en onvoorspelbaar temperament. Het resulteert in een bizarre, bewuste zelfdestructie. Onvergetelijk omdat het pijn doet, omdat er een prachtig scenario klaar lag. De “wat als?” vragen steken meteen de kop op (al was het ook ergens een logische uitkomst van een reeks, langzaam, een voor een, vielen de Franse leiders –Viera, Henry- uit.)
Moralisten kunnen natuurlijk weer niet verder kijken dan “een laatste daad die alles tenietdoet”, beseffen niet de kracht, de wond van de tragedie…dit is Zidane, grootste voetballer sinds Platini, brenger van schoonheid. Hem is alles vergeven.
(vijf minuten na publicatie het nieuws dat Zidane tot speler van het toernooi is uitgeroepen. Dan toch een opgelucht gevoel dat er genoeg mensen zijn die in voetbal schoonheid boven moraal verkiezen.)
miércoles, junio 28, 2006
23. L’Année du Football 1980

Een wonderbaarlijke schatkist. Eerder had hij het voetbaljaarboek 1981 Une Saison de Football van Eugene Saccomano 2e hands aangeschaft als studiemateriaal in de shirtqueeste maar het is duidelijk dat de L’Année du Football reeks beter is: veel meer foto’s, meer aandacht voor het internationale voetbal en met essayachtige stukken waar Saccomano meer van de Voetbal International “interviews met bobo’s zijn interessant” school is. Eigenlijk had hij 1980 gekozen om meer van het seizoen 1979-1980 van Saint-Etienne te leren maar wat hij zich al lezende realiseert is dat dit het seizoen van zijn bewustwording van voetbal was, zijn eerste echte wedstrijd in De Meer en naar alle waarschijnlijkheid de eerste Europa Cup finale die hij mocht zien (heel mistig ziet hij doelpunt van Nottingham Forrest tegen HSV in zwart-wit voor zich.)
Het boek begint misschien verrassend met een aantal stukken over de opkomst van Diego Maradona en het doet hem denken aan hoe in die tijd, de komst werd verhaald, hoe lang het duurde (het WK van 1982) voordat we de vooruitgesnelde legende werkelijk konden zien. Iedereen wist dat er genie was geboren in Zuid-Amerika en die informatie kwam lezend tot je. Daarom was de vriendschappelijke wedstrijd (of zelfs de tournee) zo belangrijk, dat waren openbaringen, waar een mysterieuze speler als Zico opeens heel dichtbij kwam. Een tijd waar alles nog niet zichtbaar was, een tijd van magie en helden.

De eerder gestelde vraag waarom Saint-Etienne in dat seizoen geen kampioen wordt met een aanval Zimako – Rep – Rocheteau en nieuwe ster Platini wordt op twee manieren beantwoord: Nantes is een beter collectief en zoals hij eerder had vermoed: Piazza keert terug naar Argentinië en daarmee valt de organisatie van de verdediging weg. Vreemd gevoel: voetbalvragen uit het verleden als logisch vraagstuk.

Wat is nu het magnetisme van het Franse voetbal uit die tijd, behalve de wetenschap dat een aantal van de belangrijkste actoren aanwezig zullen zijn in Sevilla 1982? Het is een bepaalde melancholie, een tristesse, die de voetballer uitstraalt. Op een collectief niveau: het Frans nationale elftal speelt fabuleuze wedstrijden en kwalificeert zich toch niet voor het EK, Saint-Etienne swingt in de UEFA-cup maar laat het weer op een cruciaal moment afweten, zoals Nantes weer dom strandt in de halve finale van Europacup II. En het is geen subjectieve melancholie over een bepaald tijdperk, want spelers van de zo succesvolle en efficiënte Duitse en Engelse ploegen bezitten die kwaliteit totaal niet. Terwijl iemand als João Alves direct lijkt te worden overmand door die melancholie (al helpt het verhaal niet dat net wanneer hij Paris St. Germain nieuw elan schenkt door, zeg dat het niet waar is, Genghini kapot wordt geschopt. Een jaar later keer hij terug naar Portugal.) Het is een stijl, een naïeve cool waarmee je zelden wint. Het is ook een melancholie die eigenlijk niet meer bestaat, die waarschijnlijk is op houden te bestaan met het afscheid van Platini (al zie je soms schaduwen in de bewegingen van Zidane.) In die zin is het Franse voetbal al jaren dood (Les Bleus van tegenwoordig hebben niets te maken met die van de periode 1978-1986. Frankrijk speelt niet meer met Franse voetballers.)
Etiquetas:
1980,
Frankrijk,
herinneringen,
Saint-Etienne,
voetbal
sábado, junio 17, 2006
22. Michelet
“Allereerst moeten wij aan deze man zijn coherentie herstellen. Dat is mijn inzet geweest: om de structuur van een bestaan (zo niet van een leven) te hervinden, een thematiek, zo u wilt, of misschien beter: een georganiseerd netwerk van obsessies.”

Het favoriete boek van Barthes zelf (zijn tweede boek uit 1954, waar hij zijn favoriete auteur, de historicus Jules Michelet, als onderwerp neemt) is elegant opgebouwd: veel illustraties (van Michelet, zijn familie, zijn graf, zijn onderwerpen en zoals altijd bij Barthes: een voorbeeld van het handschrift, een huis waar hij graag verbleef, plekken uit de jeugd), biografische lijsten, brieven, teksten over Michelet en daar tussen steeds Barthes die een thema analyseert afgewisseld met een hoofdstuk dat bestaat uit fragmenten van Michelet die het thema verduidelijken.
Wat ontstaat is een mooie draaiende relatie (dans? symbiose?) tussen Barthes en Michelet, want Barthes dringt zich weliswaar niet op, hij is natuurlijk dan al een te groot schrijver om louter afstandelijk Michelet te analyseren en zo ontstaat een prachtige spanning tussen tijdperken en schrijfstijlen. Aan het eind, brengt Barthes het mooi bij elkaar:
“Wij kunnen Michelet niet op een lineaire manier lezen, wij moeten aan de tekst zijn lagen en zijn netwerk van thema’s teruggeven: de verhandeling van Michelet is een soort cryptogram, wij dienen er een net van te maken, en dit net is de eigenlijke structuur van het werk. Hieruit volgt dat geen lezing van Michelet mogelijk is als deze niet totaal is: wij moeten resoluut onszelf lokaliseren in de sluiting.”
Een groot schrijver en origineel denker, dat is duidelijk na lezing. Puur op zinsniveau (hij schrijft net als Barthes sublieme zinnen) maar ook als verteller, een intense inleving in het persoonlijke door de geschiedenis heen, van de anonieme heks die zoekt naar medicinale kruiden tot de macabere rit van Robbespiere naar de guillotine.

Het favoriete boek van Barthes zelf (zijn tweede boek uit 1954, waar hij zijn favoriete auteur, de historicus Jules Michelet, als onderwerp neemt) is elegant opgebouwd: veel illustraties (van Michelet, zijn familie, zijn graf, zijn onderwerpen en zoals altijd bij Barthes: een voorbeeld van het handschrift, een huis waar hij graag verbleef, plekken uit de jeugd), biografische lijsten, brieven, teksten over Michelet en daar tussen steeds Barthes die een thema analyseert afgewisseld met een hoofdstuk dat bestaat uit fragmenten van Michelet die het thema verduidelijken.
Wat ontstaat is een mooie draaiende relatie (dans? symbiose?) tussen Barthes en Michelet, want Barthes dringt zich weliswaar niet op, hij is natuurlijk dan al een te groot schrijver om louter afstandelijk Michelet te analyseren en zo ontstaat een prachtige spanning tussen tijdperken en schrijfstijlen. Aan het eind, brengt Barthes het mooi bij elkaar:
“Wij kunnen Michelet niet op een lineaire manier lezen, wij moeten aan de tekst zijn lagen en zijn netwerk van thema’s teruggeven: de verhandeling van Michelet is een soort cryptogram, wij dienen er een net van te maken, en dit net is de eigenlijke structuur van het werk. Hieruit volgt dat geen lezing van Michelet mogelijk is als deze niet totaal is: wij moeten resoluut onszelf lokaliseren in de sluiting.”
Een groot schrijver en origineel denker, dat is duidelijk na lezing. Puur op zinsniveau (hij schrijft net als Barthes sublieme zinnen) maar ook als verteller, een intense inleving in het persoonlijke door de geschiedenis heen, van de anonieme heks die zoekt naar medicinale kruiden tot de macabere rit van Robbespiere naar de guillotine.
Etiquetas:
Barthes,
boek,
geschiedenis,
Michelet,
theorie
miércoles, junio 14, 2006
21. Het ondenkbare denken over Cruijff
“Haantje de voorste willen zijn; zich bedreigd voelen – ageren; alleen aan z(ich).z(elf) denken, niet aan de indruk die hij op een ander maakt; behoefte aan aandacht.”
Psycholoog Grunwald over de jonge Cruijff

De Trots van de Wereld, het boek van Menno De Galan over het gouden tijdperk van Ajax is een fascinerende leeservaring die hem veel duidelijk maakt over zijn meest geliefde periode van Ajax. Het psychologische dossier waarmee het boek veel aandacht kreeg valt uiteindelijk enigszins tegen, Dolf Grunwald is er eigenlijk maar kort in dienst voordat Michels zenuwachtig wordt van zijn aanwezigheid, al moet gezegd worden dat Grunwald heel scherp de verhoudingen binnen Ajax ziet. Jammer dat De Galan hier droog verhaald (het moet wel voor een groot publiek begrijpelijk blijven terwijl hier fijn had kunnen worden uitgepakt…een definitieve psychoanalytische studie naar doodsdriften, neuroses, paranoia, vadercomplexen, kortom een totaal psycho-culturele inbedding van het grote Ajax.)
Er zijn twee overkoepelende zaken die opvallen. Allereerst, het korte tijdsbestek waarin Ajax uitgroeit van amateurvereniging tot sterkste clubteam van de wereld (zes jaar), hoe kort eigenlijk de periode is waarin Ajax heerst met totaal voetbal en hoe weinig Michels daar direct mee te maken heeft. Want zoals De Galan stelt is het pas in het seizoen 1971-1972, wanneer Michels is vertrokken, dat Ajax opeens echt begint te swingen (nooit geweten dat Cruijff vanaf dat seizoen met rugnummer 14 speelt en dat ook maar twee seizoenen doet, bij Barcelona speelt hij immers weer met nummer 9.) Het is in het proces van loslaten van de Michels dictatuur dat Ajax op zijn best is en het Kovacs-effect werkt ook maar een jaar. In het seizoen 1972-1973 wordt zijn losse methode (zoals die laatste het zelf verdedigd tegenover het proletenbestuur: “humanistisch socialisme”) de groep fataal. Er volgt ook een mooi beeld van de vergeten seizoenen na 1973 onder Knobel en Kraaij en dan realiseer je opeens dat Ajax bijna altijd een chaotische en vervelende club is geweest met maar een paar jaren van vruchtbare Grote Projecten (Michels, Cruijff en Van Gaal.)
Ten tweede. Hij had het verdrongen, waarschijnlijk omdat Cruijff veel sympathieker is geworden als trainer, opa, post-hartaanval, als ietwat warrige oude man dan hij als speler ooit was. Hij heeft eigenlijk alleen bewust het verraad van 1983 meegemaakt, wat hem als kind compleet uit het veld sloeg (hij weet nog precies de Studio Sport uitzending aan het eind van het seizoen waar de transfer naar Feyenoord werd aangekondigd, de ontnuchterende Dik Bruynesteyn tekening van Cruijff in Feyenoord-shirt.) Maar eerlijk is eerlijk, Cruijff was een klootzak, de hele tijd is hij bezig om te ontsnappen aan Ajax, op ziekelijke wijze geobsedeerd met geld. Auke Kok heeft misschien toch gelijk wanneer hij een tijd geleden stelde dat Cruijff de echte grootsheid mist van Beckenbauer. Hij miste in ieder geval in vergelijking met bijvoorbeeld Di Stefano, een bepaalde trots, de pure wil-tot-winnen (en de gedachte die in die tijd al heerste, dat Cruijff stokte wanneer andere grootheden tegen hem speelde, is waarschijnlijk correct, en zou ook interessant psychologisch studiemateriaal kunnen zijn.) Cruijff is een intrigant, waar hij komt ontstaat ruzie en saboteert hij uiteindelijk een collectief potentieel (het missen van het cruciale kwalificatieduel voor het WK 1970 om schoenen te gaan kopen in Milaan, het te vroege vertrek in 1973, de WK finale van 1974, het laffe gedrag rond het WK 1978) of devalueert hij zijn eigen grootheid (de slecht georganiseerde afscheidswedstrijd van 1978, het Amerika avontuur, de transfer naar Feyenoord.) Waarbij als verzachtende omstandigheden kunnen worden aangevoerd dat hij niet de makkelijkste mensen tegenkomt: Michels, Weisweiler, Harmsen, Nuñez, KNVB bobo’s.) Ongelofelijk dat iemand die minstens drie WKs had moeten spelen (en er twee had moeten winnen) zo heeft gefaald.

En dit is zijn favoriete speler aller tijden, Platini komt een beetje in de buurt maar Maradona zeker niet (hij kan Maradona vooral herinneren als een speler die continu werd omver getrapt/getrokken/geduwd…nooit echt aan spelen toekwam.) De herinneringen aan de comeback wedstrijd tegen Haarlem (het winterse licht, een gevoel van euforie, van moeiteloos voetbal) is inmiddels bijna compleet gemedialiseerd terwijl hij zich in vak L ongeveer recht achter de baan van die miraculeuze lob heeft bevonden. Maar de echte helden van dat Ajax (of zijn het de noodzakelijke tegenkrachten van Cruijffs nerveus neurotisch spel en habitus?) wordt duidelijk in De Trots van de Wereld zijn Piet Keizer, met zijn kalme artistieke voorkomen en de idealist Barry Hulshoff. Er is een prachtig moment wanneer die spanning zichtbaar wordt: na de finale van 1973 lopen alleen Cruijff en Hulshoff met de gewonnen beker een ereronde, maar Hulshoff houdt zijn rode Le Coq Sportif shirt aan omdat hij het wil veilen ten behoeve van slachtoffers van de Vietnamoorlog.
(Eigenlijk is dat wat De Trots van de Wereld te weinig doet: het is een fantastische reconstructie van het gekonkel achter de schermen maar er wordt te weinig duidelijk gemaakt waarom Ajax zo mooi voetbalde, waarom Cruijff zo’n fenomenale voetballer was. )
Psycholoog Grunwald over de jonge Cruijff

De Trots van de Wereld, het boek van Menno De Galan over het gouden tijdperk van Ajax is een fascinerende leeservaring die hem veel duidelijk maakt over zijn meest geliefde periode van Ajax. Het psychologische dossier waarmee het boek veel aandacht kreeg valt uiteindelijk enigszins tegen, Dolf Grunwald is er eigenlijk maar kort in dienst voordat Michels zenuwachtig wordt van zijn aanwezigheid, al moet gezegd worden dat Grunwald heel scherp de verhoudingen binnen Ajax ziet. Jammer dat De Galan hier droog verhaald (het moet wel voor een groot publiek begrijpelijk blijven terwijl hier fijn had kunnen worden uitgepakt…een definitieve psychoanalytische studie naar doodsdriften, neuroses, paranoia, vadercomplexen, kortom een totaal psycho-culturele inbedding van het grote Ajax.)
Er zijn twee overkoepelende zaken die opvallen. Allereerst, het korte tijdsbestek waarin Ajax uitgroeit van amateurvereniging tot sterkste clubteam van de wereld (zes jaar), hoe kort eigenlijk de periode is waarin Ajax heerst met totaal voetbal en hoe weinig Michels daar direct mee te maken heeft. Want zoals De Galan stelt is het pas in het seizoen 1971-1972, wanneer Michels is vertrokken, dat Ajax opeens echt begint te swingen (nooit geweten dat Cruijff vanaf dat seizoen met rugnummer 14 speelt en dat ook maar twee seizoenen doet, bij Barcelona speelt hij immers weer met nummer 9.) Het is in het proces van loslaten van de Michels dictatuur dat Ajax op zijn best is en het Kovacs-effect werkt ook maar een jaar. In het seizoen 1972-1973 wordt zijn losse methode (zoals die laatste het zelf verdedigd tegenover het proletenbestuur: “humanistisch socialisme”) de groep fataal. Er volgt ook een mooi beeld van de vergeten seizoenen na 1973 onder Knobel en Kraaij en dan realiseer je opeens dat Ajax bijna altijd een chaotische en vervelende club is geweest met maar een paar jaren van vruchtbare Grote Projecten (Michels, Cruijff en Van Gaal.)
Ten tweede. Hij had het verdrongen, waarschijnlijk omdat Cruijff veel sympathieker is geworden als trainer, opa, post-hartaanval, als ietwat warrige oude man dan hij als speler ooit was. Hij heeft eigenlijk alleen bewust het verraad van 1983 meegemaakt, wat hem als kind compleet uit het veld sloeg (hij weet nog precies de Studio Sport uitzending aan het eind van het seizoen waar de transfer naar Feyenoord werd aangekondigd, de ontnuchterende Dik Bruynesteyn tekening van Cruijff in Feyenoord-shirt.) Maar eerlijk is eerlijk, Cruijff was een klootzak, de hele tijd is hij bezig om te ontsnappen aan Ajax, op ziekelijke wijze geobsedeerd met geld. Auke Kok heeft misschien toch gelijk wanneer hij een tijd geleden stelde dat Cruijff de echte grootsheid mist van Beckenbauer. Hij miste in ieder geval in vergelijking met bijvoorbeeld Di Stefano, een bepaalde trots, de pure wil-tot-winnen (en de gedachte die in die tijd al heerste, dat Cruijff stokte wanneer andere grootheden tegen hem speelde, is waarschijnlijk correct, en zou ook interessant psychologisch studiemateriaal kunnen zijn.) Cruijff is een intrigant, waar hij komt ontstaat ruzie en saboteert hij uiteindelijk een collectief potentieel (het missen van het cruciale kwalificatieduel voor het WK 1970 om schoenen te gaan kopen in Milaan, het te vroege vertrek in 1973, de WK finale van 1974, het laffe gedrag rond het WK 1978) of devalueert hij zijn eigen grootheid (de slecht georganiseerde afscheidswedstrijd van 1978, het Amerika avontuur, de transfer naar Feyenoord.) Waarbij als verzachtende omstandigheden kunnen worden aangevoerd dat hij niet de makkelijkste mensen tegenkomt: Michels, Weisweiler, Harmsen, Nuñez, KNVB bobo’s.) Ongelofelijk dat iemand die minstens drie WKs had moeten spelen (en er twee had moeten winnen) zo heeft gefaald.

En dit is zijn favoriete speler aller tijden, Platini komt een beetje in de buurt maar Maradona zeker niet (hij kan Maradona vooral herinneren als een speler die continu werd omver getrapt/getrokken/geduwd…nooit echt aan spelen toekwam.) De herinneringen aan de comeback wedstrijd tegen Haarlem (het winterse licht, een gevoel van euforie, van moeiteloos voetbal) is inmiddels bijna compleet gemedialiseerd terwijl hij zich in vak L ongeveer recht achter de baan van die miraculeuze lob heeft bevonden. Maar de echte helden van dat Ajax (of zijn het de noodzakelijke tegenkrachten van Cruijffs nerveus neurotisch spel en habitus?) wordt duidelijk in De Trots van de Wereld zijn Piet Keizer, met zijn kalme artistieke voorkomen en de idealist Barry Hulshoff. Er is een prachtig moment wanneer die spanning zichtbaar wordt: na de finale van 1973 lopen alleen Cruijff en Hulshoff met de gewonnen beker een ereronde, maar Hulshoff houdt zijn rode Le Coq Sportif shirt aan omdat hij het wil veilen ten behoeve van slachtoffers van de Vietnamoorlog.
(Eigenlijk is dat wat De Trots van de Wereld te weinig doet: het is een fantastische reconstructie van het gekonkel achter de schermen maar er wordt te weinig duidelijk gemaakt waarom Ajax zo mooi voetbalde, waarom Cruijff zo’n fenomenale voetballer was. )
martes, junio 06, 2006
20. Rijbewijs

Hij heeft alles geprobeerd, de rijdende Boeddha te zijn, een Kraftwek robot, het hele wat-betekent-het-allemaal-als-we-het-licht-zien-van-dode-sterren verhaal, hopen dat de geest van Kowalski in Vanishing Point in hem neerdaalt, maar het helpt niet. Na drie keer snel op rij te zijn genaaid heeft hij het gevoel dat hij in een slecht mengsel van de Verzamelde Werken van Franz Kafka en De Mythe van Sisyphus van Albert Camus is beland. Van beide heeft hij geleerd dat je gewoon dom moet doorgaan, vooral niet boos worden (al walgt hij van de stalinistische zelfbeschulding die wordt verwacht na falen.) Als Ballard fan moet hij lekker over de ringweg kunnen crossen. Dus weer naar beneden hollen en die klote rots naar boven rollen.
(toch moet er een cirkel in de hel zijn waar rij-examinatoren tot in de eeuwigheid door duivels worden platgereden…)
domingo, junio 04, 2006
19. The Fall of Chronopolis
“With a hollow booming sound the Third Time Fleet materialized on the windswept plain. Fifty ships of the line, the pride of the empire and every one built in the huge yards at Chronopolis, were suddenly arrayed on the dank savanna as if a small city had sprung abruptly into being in the wilderness. The impression was increased by the lights that shone within the ships, outlining their ranks of square windows in the dusk. A few fat drops of rain spattered on the scene; the atmosphere was moody, clouds were gathering in the racing sky, and soon there would be a storm.”

Prachtig begin van Barrington Bayley’s The Fall of Chronopolis (1974). En stormen gaat het inderdaad in deze tijdreis klassieker van een van de mindere beroemde New Worlds auteurs. Ook al is hij altijd gecharmeerd geweest van Wells’ pessimistische The Time Machine is tijdreis sciencefiction nooit zijn favoriete subgenre geweest (tenzij Dick flink met psychedelica los ging, denk Now Wait For Last Year… en Ballards verhalen over tijd zijn een genre op zich.) Het is een lastig thema om echt goed te doen zoals Bayley hier doet door er onder andere een mooie religieuze draai aan te geven en het idee van ‘the strat’ te introduceren, een oceaan van potentiële tijd waar schepen doorheen reizen en waarop een korte blik genoeg is om de observeerder tot waanzin te drijven. Sciencefiction op zijn best, bizarre ideeën, nare paranoia, goddelijke transformaties, vermoeide koningshuizen, perverse sektes, in een boek dat leest als een trein. Een hele opluchting na het postmodernisme light van The Cloud Atlas, waarvan hij het ambacht van de schrijver wel kon appreciëren maar wat uiteindelijk helemaal nergens over ging en waarin een sciencefiction pastiche hem ontzettend irriteerde. In zo’n 90p jaren zeventig pocket met lelijk getekende voorkant zit meer inventiviteit dan alles wat tegenwoordig wordt geprezen als hoogstaande literatuur .

Prachtig begin van Barrington Bayley’s The Fall of Chronopolis (1974). En stormen gaat het inderdaad in deze tijdreis klassieker van een van de mindere beroemde New Worlds auteurs. Ook al is hij altijd gecharmeerd geweest van Wells’ pessimistische The Time Machine is tijdreis sciencefiction nooit zijn favoriete subgenre geweest (tenzij Dick flink met psychedelica los ging, denk Now Wait For Last Year… en Ballards verhalen over tijd zijn een genre op zich.) Het is een lastig thema om echt goed te doen zoals Bayley hier doet door er onder andere een mooie religieuze draai aan te geven en het idee van ‘the strat’ te introduceren, een oceaan van potentiële tijd waar schepen doorheen reizen en waarop een korte blik genoeg is om de observeerder tot waanzin te drijven. Sciencefiction op zijn best, bizarre ideeën, nare paranoia, goddelijke transformaties, vermoeide koningshuizen, perverse sektes, in een boek dat leest als een trein. Een hele opluchting na het postmodernisme light van The Cloud Atlas, waarvan hij het ambacht van de schrijver wel kon appreciëren maar wat uiteindelijk helemaal nergens over ging en waarin een sciencefiction pastiche hem ontzettend irriteerde. In zo’n 90p jaren zeventig pocket met lelijk getekende voorkant zit meer inventiviteit dan alles wat tegenwoordig wordt geprezen als hoogstaande literatuur .
Suscribirse a:
Entradas (Atom)







